14 februari 2017 eva 0Comment

Het is vast geen nieuws voor je dat overgangen belangrijk zijn in de training en dat je ze kunt inzetten bij elke vorm van training. Maar geldt dat eigenlijk voor elke overgang die je maakt? Er zit nogal verschil in de uitvoering en er kleven wel wat voorwaarden aan wil je je paard ermee kunnen verbeteren. In dit artikel vertel ik je wat die zijn, waar je op kan letten en hoe je de overgangen echt in kan gaan zetten om je paard te trainen.

Een kleine noot vooraf; de tips in deze tekst zijn geschreven voor wanneer je naast  je paard bezig bent, maar natuurlijk kun je dit vertalen naar het werk aan de longe of onder het zadel, wees creatief!

 

De ideale overgang

Mijn instructrice gaf mij ooit de opdracht om overgangen te rijden alsof we een hoovercraft waren, die vloeiend schakelt in snelheden. Zie je het voor je? Nou ik wel en het hielp mij toen enorm! Zo’n overgang waarbij de power niet wegvalt, of verloren gaat, maar enkel een versnelling hoger of lager gaat. Dat je voelt dat alle power er is en je die gedoceerd in kunt zetten zonder haperingen. Vertaald naar een paard zegt dat dus zoveel als een paard wat vloeiend van de ene gang naar de andere gaat, zonder stil te vallen of weg te spurten. Met de achterhand mooi onder een compact lichaam. De achterbenen dragen het lichaam in plaats van het vooruit te stuwen. De buikspieren zijn aangespannen en de rug komt daardoor omhoog. Het paard trekt het borstbeen in waardoor de schoft lift ontstaat en de hals is mooi rond… Goed, dat is natuurlijk een ideaalplaatje en zeker met grondwerk niet zo makkelijk te bereiken. Maar hou dat plaatje wel in je achterhoofd en haal het er regelmatig even bij om te checken of je er al in de buurt komt 😉

 

Het begin

In eerste instantie kies je de voor de hand liggende overgangen, te beginnen bij het begin; van halt naar stap. Kijk hierbij eens hoe je paard weg stapt, valt het voorover en moet het daardoor wel een stap vooruit zetten? Of vertrekt je paard vanuit de achterhand? In dat laatste geval zit je goed, maar valt je paard een beetje (veel?) voorover en vergeet het de achterhand daarbij? Hieronder lees je hoe je daaraan kunt werken.

Een paard heeft vier benen met een lang lijf ertussen, dat zet je niet zo snel in beweging als ons verticale lichaam met maar twee benen. Door het vertrek op te bouwen in fases zorg je dat je paard aan ziet komen wat er komt en kan gaan anticiperen. Zo geef je het de tijd om ook aan die achterhand te denken bij vertrek.

Dus even een voorbeeldje:

  • Je intentie/focus/blik gaat naar voren, je gaat rechtop staan en brengt je gewicht al wat naar voren, je navel is net als je blik gericht op de richting die je op gaat; naar voren.
  • Je brengt je hand naar voren (de hand die het touw vast heeft, in dit geval de hand aan de kant van je paard) om te wijzen waar je heen wil.
  • Je begint te lopen, je bouwt je tempo rustig op want het is de bedoeling dat je paard mee kan komen.
  • Loopt je paard niet mee dan moedig je het aan bij de achterhand, dat doe je met het uiteinde van je touw, een zweepje of een stick, net wat je normaliter gebruikt.

Ga vooral niet trekken aan de voorkant, dan trek je je paard als het ware uit elkaar en word het nog langer in het lijf. De beweging moet van achter komen en dus is het ook de achterhand die geactiveerd moet worden om in beweging te komen. Als je paard niet meeloopt kun je eventueel als vierde fase druk op je touw zetten, maar gebruik dat dan enkel bij het aanleren van het meelopen als hoogste fase en laat ook gelijk weer los als je paard meeloopt.

Hieronder een voorbeeld om te laten zien wat er gebeurd als je je paard meetrekt, zo moet het dus NIET!

 

 

Voor het halthouden zorg je dat je net zo voorspelbaar bent als bij het
vertrekken. Hier een voorbeeld van fases die je kunt gebruiken, je kunt daar natuurlijk ook een eigen invulling aan geven, als je er maar consequent in bent.

  • Je gaat langzamer/ dieper ademen.
  • Je vertraagt je tempo.
  • Je hand (die met het touw) komt omhoog, je brengt je eigen ‘achterhand’ goed onder je lichaam (zoals je dat ook van je paard wil) en je staat stil.
  • Loopt je paard door, dan zwaai je met het
    einde van je touw richting de plek vóór het hoofd van je paard (nooit direct naar het hoofd, dat is erg onbeleefd). Kiest je paard om stil te staan dan stop je gelijk met zwaaien, loopt je paard door dan loopt het zelf tegen het zwaaiende touw aan en zal dan alsnog stoppen.

 

Hier begint Fenna mee te denken en neemt ze wel haar achterhand mee. Nog niet helemaal zoals we graag zien, maar een ‘work in progress’ filmpje 😉

 

En dan verder!

Heb je deze stappen eenmaal onder de knie dan ga je zorgen dat ze vloeiend in elkaar overgaan, maar blijf wel consequent in de volgorde en de opbouw van fases.

Als voorwaarts en halthouden vloeiend gaan, dan ga je uitbreiden en pak je de draf en achterwaarts erbij. En als dat vloeiend gaat dan ook eventueel de galop. Let steeds op de kwaliteit van je overgangen, reageert je paard nog licht, of kan het nog lichter? Vertrekt je paard gelijk met jou? Komt de achterhand van je paard goed mee?

Kun je deze vragen beantwoorden met een ‘ja’ dan kun je het nog uitdagender maken, niet alleen ga je meer reactiesnelheid vragen, je gaat de overgangen ook afwisselen. Halt-draf, stap-galop, galop-halt, achterwaarts-draf, verzin het maar, zo lang je steeds op die kwaliteit blijft letten.

 

Waarom eigenlijk?

Als je paard alleen snel en overhaast gaat dan heb je er fysiek weinig aan, de kans is groot dat het paard zich gespannen houd. Je hebt er net zo min iets aan als je paard erg traag in reactie blijft, een traag paard kan zich net zo goed gespannen houden in zijn lichaam. Door je paard in het juiste tempo voorwaarts te laten gaan en dan ook nog eens overgangen te laten maken, worden de spieren intensiever gebruikt. Door de afwisseling in aanspanning en ontspanning die hierbij ontstaat worden de spieren losser en de bloedcirculatie word beter. Daarnaast krijg je ook nog eens een heel oplettend en reactief paard, dus eigenlijk win-win-win!

 

Extra tips and tricks:

  • Blijf bij je paard. Je paard krijgt de verantwoordelijkheid om met jou mee te bewegen, naast jouw schouder te blijven, maar wacht ook op je paard als het iets meer tijd nodig heeft. Samen bewegen. En bij ‘samen’ bedoel ik ook echt sámen, blijf bij elkaar. Het is jouw verantwoordelijkheid om te wachten, zodat je paard zijn verantwoordelijkheid kan nemen om mee te komen.
  • Als je bij de galop je paard niet kunt bijhouden dan kun je het beste de afstand tussen jou en je paard vergroten en wat verplaatsen naar de longeerpositie.
  • Denk ook eens aan tempowisselingen binnen een gang.
  • Maak er een spel van, als je paard niet zo erg gemotiveerd is, word dan niet duwerig of trekkerig, maar maak er een soort tikkertje van. Als je paard te laat reageert en jij bent door je fases gegaan, dan is de laatste fase jouw stick/touw/zweepje op z’n kont. Niet hard natuurlijk, maar wel irritant zodat je paard de volgende keer wel oppast om te laat te zijn. Wie is de snelste van jullie twee in dit spel?
  • Als je paard moeilijk te motiveren is, geef dan een duidelijk einddoel. Ga bijvoorbeeld van hoek naar hoek, of zet pylonnen neer op bepaalde punten en geef daar even pauze.
  • Als je paard al erg voorwaarts is, dan focus je vooral op rust in de overgangen en laat je paard ook even lekker voorwaarts bewegen op de cirkel. Een paard is een bewegingsdier en steeds terugwerken in tempo helpt niet, zeker niet bij een voorwaarts paard, die moeten gewoon eerst even de benen strekken voor ze kunnen meedenken. Vraag korte stukken concentratie en laat het dan weer even lopen op de cirkel, weer een concentratie stukje en dan wederom bewegen, zo bouw je de concentratie langzaam op.
  • Ga niet teveel nadenken, als je de fases eenmaal onder de knie hebt zul je zien dat het steeds meer vanzelf gaat, pas dan kan het een vloeiend geheel gaan worden. Als je teveel in je hoofd blijft zitten lukt het vaak veel minder.

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *